OVERZICHTSARTIKELEN

Klinische betekenis van een subsegmentale longembolie

NTVH - 2014, nummer 4, june 2014

dr. F.A. Klok , prof. dr. H.R. Büller , dr. H.V. Huisman , dr. J. van Es , dr. L.J.M. Kroft , dr. M.J.H.A. Kruip , dr. P.L. den Exter , prof. dr. P.W. Kamphuisen

Samenvatting

De introductie van meer geavanceerde radiologische beeldvorming heeft geleid tot een toename in de detectie van geïsoleerde, subsegmentale longembolie. Over de klinische betekenis hiervan bestaat echter veel onzekerheid en deze dient nog te worden bepaald. In deze studie onderzochten wij of de karakteristieken en prognose van patiënten met subsegmentale longembolie verschillen van die met meer proximale longembolieën.

Wij analyseerden de gegevens van 3.728 opeenvolgende patiënten met een verdenking van longembolie. Patiënten met een subsegmentale longembolie werden vergeleken met patiënten met een meer proximaal gelokaliseerde longembolie en met patiënten bij wie de diagnose longembolie werd uitgesloten, met betrekking tot hun trombo-embolische risicoprofiel en klinische uitkomsten tijdens follow-up.

Bij 748 patiënten werd de diagnose ‘longembolie’ bevestigd, waarvan bij 116 patiënten de longembolieën subsegmentaal waren gelokaliseerd. Bij 2.980 patiënten werd de diagnose ‘longembolie’ uitgesloten. Er werden geen verschillen gezien in de prevalentie van risicofactoren voor veneuze trombose en klinische uitkomsten tijdens 3 maanden follow-up in termen van recidief veneuze trombo-embolie (3,6% versus 2,5%; p=0,42) en mortaliteit (10,7% versus 6,5%) tussen patiënten met een subsegmentale longembolie en die met een meer proximaal gelokaliseerde longembolie. In vergelijking met patiënten zonder longembolie werden leeftijd >60 jaar, recente operatie, oestrogeengebruik en mannelijk geslacht geïdentificeerd als onafhankelijke risicofactoren voor subsegmentale longembolie; daarnaast hadden zij een verhoogd risico op veneuze trombo-embolie tijdens follow-up (hazardratio 3,8; 95%-betrouwbaarheidsinterval 1,3–11,1).

In tegenstelling tot de veelal bestaande opvatting dat subsegmentale longembolie een klinisch mildere vorm van longembolie vormt, toont deze studie aan dat zowel het risicoprofiel als de klinische uitkomsten van patiënten met subsegmentale longembolie sterk overeenkomen met patiënten met een meer proximale longembolie.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2014;11:150–6)

Lees verder

Nieuwe ontwikkelingen in de behandeling van hemofilie

NTVH - 2014, nummer 4, june 2014

prof. dr. H.J.C. Eikenboom , drs. M.L. Donker , prof. dr. R.E.G. Schutgens

Samenvatting

Hemofilie heeft zich ontwikkeld van een vaak dodelijke, erfelijke bloedingsziekte tot een aandoening waarvoor een veilige en effectieve behandeling beschikbaar is. De huidige behandeling kent echter meerdere beperkingen: de halfwaardetijd van de huidige stollingsfactorproducten vereist frequente intraveneuze toedieningen, de ontwikkeling van remmende antistoffen tegen factor VIII of factor IX geeft grote problemen bij de behandeling van acute bloedingen en bij profylactische behandeling, en door de hoge kosten is behandeling in een groot deel van de wereld niet mogelijk. Nieuwe ontwikkelingen, waaronder factorproducten met verbeterde farmacokinetische profielen, vooruitgang in de behandeling van remmers en alternatieve hemostatische benaderingen zijn veelbelovend, en gentherapie zou in potentie mogelijk curatief kunnen zijn.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2014;11:157–63)

Lees verder

Fertiliteitspreservatie bij patiënten met een hematologische maligniteit

NTVH - 2014, nummer 4, june 2014

prof. dr. B.J. Biemond , prof. dr. M. Goddijn , dr. M.D. Hazenberg , P.S.I. van Tongeren , prof. dr. S. Repping , dr. S.K. Klein , drs. T. Dahhan

Samenvatting

Patiënten met hematologische maligniteiten lopen het risico op verminderde vruchtbaarheid als gevolg van chemo- en/of radiotherapie. Fertiliteitspreservatie is een nieuwe, zich snel ontwikkelende preventieve vorm van geneeskunde met als doel het verhogen van de kans op toekomstig nageslacht bij vrouwen en mannen die potentieel onvruchtbaar worden als gevolg van hun behandeling. In dit artikel worden de verschillende mogelijkheden van fertiliteitspreservatie besproken bij patiënten met een hematologische maligniteit.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2014;11:164–70)

Lees verder

Immuuntherapie voor acute myeloïde leukemie

NTVH - 2014, nummer 3, april 2014

dr. M.D. Hazenberg

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2014;11:89–90)

Lees verder

Actieve immuuntherapie bij acute myeloïde leukemie

NTVH - 2014, nummer 3, april 2014

prof. dr. A.A. van de Loosdrecht , prof. dr. G.J. Ossenkoppele , drs. J.M. Ruben , prof. dr. T.D. de Gruijl , dr. T.M. Westers , drs. W. van den Ancker

Samenvatting

Therapeutische vaccinatie met dendritische cellen (DC) is een veelbelovende experimentele therapie voor de behandeling van minimale residuale ziekte en kan mogelijk een recidief bij acute myeloïde leukemie (AML) voorkomen. Verschillende bronnen van leukemie-geassocieerde antigenen en verschillende methoden voor het beladen van antigenen op DC zijn onderzocht en enkele getest in een klinische setting. Tot op heden is het echter onduidelijk welke methode het meest optimaal is voor het bereiden van een vaccin. Dit overzichtsartikel beschrijft de verschillende typen geteste DC-vaccins en hoe deze vaccins mogelijk effectiever kunnen worden gemaakt voor de behandeling van AML.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2014;11:91–9)

Lees verder

Vaccinatie met hematopoësespecifieke ‘minor’ histocompatibiliteitsantigenen bij de behandeling van hematologische maligniteiten na allogene stamceltransplantatie

NTVH - 2014, nummer 3, april 2014

prof. dr. H.M. Lokhorst , Prof, dr. M.C. Minnema , dr. R. Oostvogels , dr. T. Mutis

Samenvatting

Allogene stamceltransplantatie en donorlymfocyteninfusie zijn effectieve behandelingen voor verschillende hematologische maligniteiten. Het therapeutische effect berust voornamelijk op een immuunrespons van donor-T-cellen gericht op de resterende tumorcellen, het graft-versustumoreffect. Hierbij spelen verschillen in de expressie van ‘minor’ histocompatibiliteitsantigenen op de lichaamscellen van patiënt en donor een cruciale rol. Om met immuuntherapie de graft-versus-tumorrespons effectiever te maken zonder graft-versus-hostziekte te veroorzaken, maken we gebruik van ‘minor’ histocompatibiliteitsantigenen die enkel op de (maligne) bloedcellen voorkomen en niet op andere lichaamscellen. Door antigeenpresenterende cellen te beladen met deze peptiden en aan de patiënt toe te dienen gelijktijdig met een donorlymfocyteninfusie, proberen we het effect van de donorlymfocyten specifieker op de bloed- en tumorcellen te richten en zo de antitumorrespons te versterken. Op dit moment wordt in 2 klinische studies de toepassing van peptide-beladen dendritischecelvaccinaties in combinatie met donorlymfocyteninfusie bij patiënten met verschillende hematologische maligniteiten getest.

(NED TIJDSCHR HEAMTOL 2014;11:100–8)

Lees verder

Hemoglobinopathie in Nederland: een exoot op klompen

NTVH - 2014, nummer 2, march 2014

dr. C.L. Harteveld

Samenvatting

Hemoglobinopathieën (HbP) zijn in de laatste 30 jaar in Nederland toegenomen door immigratie. De meeste dragers behoren tot de populaties afkomstig uit malariagebieden waar door eeuwenlange selectie door malaria tropica de frequentie aan mutaties die HbP veroorzaken hoog is. Toch komen thalassemie en hemoglobine (Hb)- varianten ook van nature in relatief lage frequentie voor bij zogenoemde autochtone Nederlanders. Enerzijds door verre voorouders afkomstig uit HbP-gebieden, anderzijds door spontane mutaties. Dit artikel beschrijft het voorkomen van HbP in de Nederlandse multi-etnische samenleving en geeft een overzicht van de verschillende mutaties en deleties die bij autochtone Nederlanders thalassemie of Hb-varianten veroorzaken.

Dragerschap van HbP bij autochtone Nederlanders is zeldzaam, maar kan worden verwacht op basis van een persisterende microcytair hypochrome anemie, niet reagerend op ijzersuppletie. Daarnaast dient het aanbeveling bij een bewezen drager van HbP met een kinderwens de partner te laten controleren op HbP-dragerschap, afgezien of de partner uit een hoog- of laagrisicogroep voor HbP-dragerschap komt. Daarvoor is een eenvoudig hemocytometrische analyse en scheiding van de hemoglobinefracties door middel van bijvoorbeeld ‘high performance liquid chromatography’ of Hb-elektroforese vaak voldoende. De multi-etnische samenleving vraagt om aandacht voor de genetische risico’s voor echtparen waarbij beiden drager zijn van HbP. Daarbij hoort het opsporen van risicoparen om toekomstige ouders tijdig een reproductieve keuze te bieden en indien gewenst prenatale diagnostiek.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2014;11:44–54)

Lees verder
X