OVERZICHTSARTIKELEN

Postpartumbloedingen bij vrouwen met vonwillebrandziekte of hemofiliedraagsters in Nederland

NTVH - 2016, nummer 2, march 2016

A. Zwagemaker , prof. dr. F.W.G. Leebeek , prof. dr. H.J.C. Eikenboom , drs. H.W. van Steenbergen , dr. J.J. Duvekot , dr. M. Peters , dr. M.J.H.A. Kruip , dr. S.C. Cannegieter , drs. S.C.M. Stoof , dr. Y.V. Sanders

Samenvatting

Zwangere vrouwen met bloedingsziekten behoeven specialistische zorg om een postpartumbloeding (PPH) te voorkomen. In internationale richtlijnen wordt geadviseerd profylactisch stollingsfactorconcentraat te geven bij de partus indien stollingsfactorwaarden <0,50 IU/ml zijn in het derde trimester. De optimale dosis en duur van de behandeling is echter onbekend. Het doel van onze studie was om de uitkomsten van het huidige beleid te bestuderen bij vrouwen met vonwillebrandziekte (VWZ) of dragerschap van hemofilie. Er zijn retrospectief 185 bevallingen bij 154 vrouwen geïncludeerd tussen 2002–2011. Er is informatie verzameld over bloedverlies, kenmerken van de bloedingsziekte en obstetrische risicofactoren. De uitkomst was het optreden van primaire PPH, gedefinieerd als ≥500 ml bloedverlies binnen 24 uur postpartum en ernstige PPH als ≥1.000 ml bloedverlies. Primaire PPH trad op bij 62 bevallingen (34%), waarvan 14 (8%) resulteerden in ernstige PPH. Bij 26 bevallingen is er profylactisch stollingsfactorconcentraat gegeven, omdat de stollingsfactorwaarden <0,50 IU/ml waren in het derde trimester, waarvan er 14 (54%) resulteerden in PPH. Er bleek een verhoogd risico te zijn op primaire PPH bij bevallingen die profylactisch stollingsfactorconcentraat kregen in vergelijking met bevallingen zonder profylactische behandeling (OR 2,7, 95%-BI 1,2–6,3). Concluderend was de primaire PPH-incidentie het hoogste bij bevallingen met de laagste stollingsfactorwaarden in het derde trimester, ondanks profylactische toediening van stollingsfactoren. Op dit moment is de specialistische zorg van vrouwen met bloedingsziekten onvoldoende gezien de hoge incidentie van PPH. Verdere studies zijn nodig om het bevallingsbeleid te optimaliseren in deze patiëntenpopulatie.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:49–56)

Lees verder

Trombotische trombocytopenische purpura: nieuwe therapeutische ontwikkelingen

NTVH - 2016, nummer 1, january 2016

dr. C. Maas , prof. dr. J. Voorberg , dr. R. Fijnheer

Samenvatting

Trombotische trombocytopenische purpura (TTP) ontstaat door een tekort aan ADAMTS13. Dit enzym knipt lange vonwillebrandfactor (VWF)-polymeren in kleinere stukjes waardoor deze minder trombogeen worden. TTP is een auto-immuunziekte waarbij antistoffen worden gemaakt die ADAMTS13 neutraliseren. De huidige therapie bestaat uit hoge dosis steroïden en intensieve plasmaferese. De overleving is hiermee sterk verbeterd, al is de mortaliteit nog steeds rond 15%. Bovendien is er nog steeds een kans van ongeveer 50% op een recidief. De hoge kosten van het benodigde plasma, hoge kans op recidief en aanzienlijke mortaliteit maakt dat er behoefte is aan nieuwe therapie. De bindingsplaatsen van patiëntantistoffen op ADAMTS13 zijn recentelijk in kaart gebracht. Ook is duidelijk geworden op welke wijze VWF-polymeren door ADAMTS13 worden geknipt. Naast ADAMTS13 kunnen VWF-polymeren ook worden geknipt door plasmine. Op het gebied van de behandeling van TTP is er een drietal nieuwe aangrijpingspunten: 1) depletie van CD20-positieve B-cellen door rituximab, 2) VWF-remmende antistoffen (caplacizumab), 3) therapeutische enzymen (ADAMTS13, plasmine). Rituximab en caplacizumab zijn duidelijk het verst in ontwikkeling. Voor rituximab ontbreekt echter fase 3-onderzoek, voor caplacizumab start dat binnenkort. De ontwikkeling van ADAMTS13 en plasmine bevindt zich nog in een preklinisch stadium.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:18–24)

Lees verder

Zwangerschap en antistolling

NTVH - , nummer ,

drs. L.C. Oskam , prof. dr. S. Middeldorp

Samenvatting

Het gebruik van antistolling tijdens zwangerschap en kraambed is een uitdaging, gezien de kans op zowel maternale als foetale complicaties van deze behandeling. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de indicaties voor preventieve en therapeutische behandeling met antistolling, zowel voorafgaand aan, tijdens, als na de zwangerschap. De reden tot behandeling met antistolling kan een actuele veneuze trombo-embolie zijn, maar ook een eerder doorgemaakte trombose, de aanwezigheid van erfelijke of verworven trombofilie, een mechanische hartklep of herhaalde miskraam. De voor- en nadelen van verschillende behandelstrategieën worden besproken en advies voor het maken van een keuze wordt gegeven.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:10-7)

Lees verder

Hematologische afwijkingen bij kinderen met downsyndroom

NTVH - 2016, nummer 1, january 2016

dr. B.F. Goemans , dr. C.M. Zwaan , dr. V. de Haas , dr. W.J.W. Kollen

Samenvatting

Downsyndroom (DS) wordt veroorzaakt door een trisomie 21. Naast alle wel bekende dysmorfieën, mentale retardatie en congenitale afwijkingen, hebben kinderen met DS ook vaker hematologische afwijkingen. Als neonaat hebben alle kinderen met DS een afwijkend bloedbeeld, waarbij bij een deel van de kinderen sprake is van transiënte myeloproliferatieve ziekte (TMZ). TMZ komt alleen voor bij kinderen met DS, en wordt gekenmerkt door mutaties in het GATA1-gen. TMZ verdwijnt spontaan bij de meerderheid van de kinderen. Daarnaast hebben kinderen met DS een 20 keer verhoogde kans op zowel acute myeloïde leukemie (AML) als acute lymfatische leukemie (ALL). DS myeloïde leukemie (DS-ML) wordt net als TMZ gekenmerkt door GATA1-mutaties en komt voor bij kinderen jonger dan 5 jaar. Kinderen met leukemie en DS hebben een groter risico op bijwerkingen van chemotherapie, met name infecties en mucositis. DS-ML is een unieke ziekte met verhoogde chemotherapiegevoeligheid en kan dus met dosisreductie worden behandeld, met een uitstekende prognose tot gevolg. DS-ALL daarentegen komt voor op wat hogere leeftijd, de bekende prognostisch gunstige cytogenetische afwijkingen worden minder vaak gezien en de ongunstige vaker dan bij niet-DS-kinderen met ALL. Daardoor is er geen goede mogelijkheid voor dosisreductie en is de behandelingsgerelateerde sterfte relatief hoog. De prognose van kinderen met DS-ALL is hierdoor slechter dan die van andere kinderen met ALL. De uitdaging is daarom een aangepaste therapie voor deze groep kinderen te ontwikkelen.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:3–9)

Lees verder

Chimere antigeenreceptoren als immuuntherapie voor hematologische maligniteiten

NTVH - 2015, nummer 8, december 2015

drs. E. Drent , prof. dr. H.M. Lokhorst , dr. N.W.C.J. van de Donk , dr. T. Mutis

Samenvatting

Een chimere antigeenreceptor (CAR) is een in het laboratorium vervaardigde cellulaire receptor waarbij het antigeenherkenningsdomein van een antilichaam op een artificiële wijze is gekoppeld aan het cellulaire activerende gedeelte van een T- of NK-cel. Met CAR’s wordt de doeltreffende specificiteit van antilichamen om kankercellen te herkennen, verenigd met de uitmuntende capaciteit van T- of NK-cellen om deze kankercellen te elimineren. CAR-gebaseerde immuuntherapiestrategieën zijn daarom met grote verwachtingen ontvangen door wetenschappers en clinici die de toekomst van kankerpatiënten willen verbeteren. In de afgelopen jaren zijn er veel (pre-)klinische studies gestart en de CAR’s worden steeds verder ontwikkeld tot volwaardige producten door hun doeltreffendheid en de veiligheid te verhogen. Men gaat ook verder op zoek naar nieuwe tumorantigenen om de therapie te kunnen toepassen bij andere vormen van kanker. Dit overzicht is bedoeld om de huidige status van CAR-therapieën en de nieuwe ontwikkelingen op een chronologische wijze uiteen te zetten.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:303–12)

Lees verder

Behandeling van het non-hodgkinlymfoom met antistoffen: nieuwe targets, nieuwe concepten

NTVH - 2015, nummer 7, october 2015

dr. M. Jak , prof. dr. M.J. Kersten

Samenvatting

De afgelopen 10 jaar zijn er veel nieuwe middelen ontwikkeld voor de behandeling van het non-hodgkinlymfoom (NHL). De komende jaren zullen er ook veel nieuwe antistoffen op de markt komen. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de tot nu toe behaalde resultaten met nieuwe antilichamen bij NHL-patiënten. Achtereenvolgens zullen worden besproken de ‘antibody drug conjugates’ (ADC’s), de ‘immune checkpoint’-remmende antilichamen en tot slot de zogenoemde bispecifieke T-cel-‘engagers’ (BiTEs).

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:245–52)

Lees verder

Het effect van herhaaldelijke intra-arteriële infusie van mononucleaire beenmergcellen bij patiënten met niet-revasculariseerbare ischemie van het been: gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde JUVENTAS-studie

NTVH - 2015, nummer 7, october 2015

prof. dr. F.L. Moll , dr. M. Teraa , prof. dr. M.C. Verhaar , prof. dr. R.E.G. Schutgens

Samenvatting

Achtergrond: Patiënten met ernstig perifeer vaatlijden komen met enige regelmaat niet in aanmerking voor reguliere revascularisatiemogelijkheden. Vroege ‘pioneering trials’ hebben laten zien dat van beenmerg afkomstige stamcellen neovascularisatie kunnen bevorderen en daarmee een mogelijke therapeutische optie zijn voor deze patiënten. Er zijn echter geen studies die bewijzen dat een dergelijke behandeling tot klinisch significante verbetering leidt.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:253–7)

Lees verder
X