Articles

HOVON 109: de effectiviteit en veiligheid van eerstelijnsbehandeling van chronische lymfatische leukemie met chloorambucil, rituximab en lenalidomide bij oudere patiënten en patiënten met comorbiditeit; een fase I/II-studie

NTVH - 2012, nummer 5, july 2012

prof. dr. A.P. Kater , dr. M.E.D. Chamuleau , dr. W.E.F.M. Posthuma , dr. M.R. Schipperus , M. Spiering , prof. dr. M.H.J. van Oers

Samenvatting

Voor oudere (≥65 jaar) en kwetsbare onbehandelde patiënten met chronische lymfatische leukemie (CLL) en behandelindicatie is sinds jaren monotherapie chloorambucil de behandeling van keuze. Dit in tegenstelling tot jongere en fitte patiënten bij wie de behandelmogelijkheden de laatste jaren sterk zijn veranderd, met als gevolg langdurige progressievrije overleving en mogelijk verbeterde totale overleving. Meerdere studies hebben echter aangetoond dat deze behandelregimes, bestaande uit combinatie-immuunchemotherapie, bij oudere en kwetsbare patiënten tot sterk verhoogde toxiciteit leidt. Ondanks duidelijke voordelen van chloorambucil voor deze patiëntengroep is het als monotherapie niet zeer effectief. Hoewel combinatietherapie met rituximab een verbetering op de totale respons laat zien, zijn complete remissies zeer zeldzaam, wat resulteert in een progressievrije overleving van minder dan 2 jaar. Voor de grote groep oudere en kwetsbare CLL-patiënten is duidelijke verbetering van behandelmogelijkheden nodig. In de HOVON 109-studie wordt een combinatie van chloorambucil, rituximab en lenalidomide getest met als hypothese dat deze combinatie van 3 middelen een verdere verbetering van de respons induceert met als gevolg een verlengde progressievrije overleving.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2012;9:197–201)

Lees verder

Monoklonale B-cellymfocytose: incidentie, risicostratificatie en aanbevelingen voor de dagelijkse praktijk

NTVH - 2012, nummer 4, june 2012

dr. G.D. te Raa , prof. dr. M.H.J. van Oers , prof. dr. A.P. Kater

Samenvatting

Monoklonale B-cellymfocytose (MBL) is gedefinieerd als de aanwezigheid van een kleine monoklonale Bcelkloon in het perifere bloed van asymptomatische individuen. MBL-cellen hebben meestal het immuunfenotype van chronische lymfatische leukemie (‘CLLfenotype MBL’), maar een atypisch fenotype (‘atypisch- CLL-fenotype MBL’) of een fenotype van een maligne lymfoom (‘non-CLL-fenotype MBL’) komen ook voor. De prevalentie in de populatie boven 40 jaar wordt geschat op 3–5% en het risico op ontwikkeling naar CLL met behandelindicatie bedraagt 1–2% per jaar. Er zijn geen officiële richtlijnen ten aanzien van MBL. Op grond van beschikbare gegevens en adviezen worden aanwijzingen voor de praktijk gegeven. Bij verdenking op MBL dient de juiste diagnose eenmalig te worden vastgesteld door een hematoloog en kunnen jaarlijkse controles plaatsvinden bij de huisarts, indien sprake is van CLL-fenotype MBL. Bij tekenen van progressie wordt geadviseerd de patiënt terug te verwijzen naar de internist/hematoloog.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2012;9:138–46)

Lees verder