Het Prinses Máxima Centrum in Utrecht doet mee aan een grote internationale studie naar Acute Lymfatische Leukemie (ALL) bij kinderen, met de naam ALLTogether1. Daarmee is het ziekenhuis het tweede centrum in Europa dat met de studie gestart is. Doel van de studie is om de behandeling en overlevingskansen van kinderen met ALL verder te verbeteren en de bijwerkingen te verminderen.

De studie zal naar verwachting 5 jaar duren en vindt plaats in 14 Europese landen. Jaarlijks doen er ongeveer 1.400 kinderen met ALL mee aan de studie, waaronder meer dan 110 kinderen in Nederland. Kinderoncologen en onderzoekers in een groot deel van Europa volgen nu hetzelfde behandelprotocol. In dit protocol worden gerandomiseerde studies gedaan om verschillende behandelingen te vergelijken.

Voortrekkersrol

Nederland speelt al jaren een voortrekkersrol in het onderzoek rond ALL, en het Prinses Máxima Centrum is het zenuwcentrum van diverse deelonderzoeken. De Europese samenwerking op het gebied van ALL begon in 2014. Op basis van uitgebreide analyses van de laatste behandelresultaten van alle deelnemende landen, maar ook van andere studies wereldwijd is het ALLTogether1 protocol stapsgewijs tot stand gekomen.

Behandeling wordt maatwerk

Dr. Inge van der Sluis, kinderoncoloog aan het Prinses Máxima Centrum, is hoofdonderzoeker van de ALLTogether1 studie. Zij legt uit wat deelname aan de studie inhoudt voor de kinderen. “Wat onze kinderen concreet merken van deze studie? Zij krijgen de beste behandeling die er op dit moment mogelijk is, gebaseerd op de kennis en ervaring van vele landen. De behandeling wordt steeds meer maatwerk, aangepast aan de individuele patiënt. Zo worden kinderen ingedeeld in verschillende risicogroepen gebaseerd op genetische afwijkingen in de leukemiecellen en hoe goed ze op het begin van de therapie reageren. Vervolgens onderzoeken we bij kinderen die een heel hoge genezingskans hebben of we de therapie minder intensief kunnen maken, en zo de bijwerkingen kunnen verminderen. Bij andere kinderen onderzoeken we of de genezingskans omhoog gaat door nieuwe vormen van immunotherapie en nieuwe chemotherapie middelen toe te voegen aan de twee jaar lange behandeling. De ene patiënt zal meer therapie nodig hebben, terwijl de andere juist met minder therapie ook kan genezen.”

Onderzoeksvragen

Naast de veranderingen in de therapie vinden er op de achtergrond vele andere onderzoeken plaats, bijvoorbeeld om de diagnostiek te verbeteren, preventie en behandeling van bijwerkingen, en meer basaal laboratorium onderzoek naar de onderliggende DNA-afwijkingen van leukemiecellen. Bij kinderen met een laag risico op een recidief gaat onderzocht worden of chemotherapie-middelen die op lange termijn het hart kunnen beschadigen, verminderd kunnen worden. Bij kinderen met een hoog risico op terugkeer van de ziekte wordt de behandeling juist geïntensiveerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van nieuwe vormen van immunotherapie waarbij antilichamen tegen leukemiecellen en de eigen afweercellen van het kind worden ingezet tegen de leukemie.

Van der Sluis: “Ook worden bij sommige kinderen medicijnen toegevoegd die gericht zijn tegen bepaalde eiwitten of afwijkingen van de leukemiecellen. Deze medicijnen zijn recent al onderzocht bij patiënten die de leukemie terugkregen, maar willen wij nu toepassen bij eerste diagnose, om zo al eerder meer kinderen te kunnen genezen.” Naast de nieuwe medicijnen, worden ook de gebruikelijke medicijnen beter gevolgd door bijvoorbeeld bloedspiegels hiervan te meten.

De hoop is dat er door het bundelen van krachten sneller antwoord op de belangrijke onderzoeksvragen zal komen. Die antwoorden moeten leiden tot de beste behandeling voor een hogere overleving met goede kwaliteit van leven voor kinderen met ALL.

Trots

Dr. Inge van der Sluis besluit: “We zijn trots op deze bijzondere en grootschalige samenwerking en op het ALL behandelprotocol zelf. Wij verwachten de komende tijd met kinderoncologen, onderzoekers, (research)verpleegkundigen maar ook medewerkers van de laboratoria en het Trial en Data centrum, vanuit onze expertise veel te kunnen bijdragen aan de studie.”

Bron

Website van het Prinses Maxima Centrum