Articles

HOVON 140: een prospectieve, multicentrische, gerandomiseerde fase 3-studie omtrent de effectiviteit van standaard chemo-immuuntherapie (FCR/BR) versus rituximab en venetoclax (RVe) versus obinutuzumab (GA101) en venetoclax (GVe) versus obinutuzumab en ibrutinib en venetoclax (GIVe) bij fitte patiënten met onbehandelde chronische lymfatische leukemie (CLL) zonder del(17p) of TP53-mutatie

NTVH - 2017, nummer 8, december 2017

drs. L. van der Straten , dr. M.D. Levin , dr. K.L. Wu , dr. A. van Hoof , prof. dr. E. van den Neste , dr. H. Demuynck , prof. dr. A.M.H. Janssens , dr. D. Deeren , dr. H.P.J. Visser , dr. J. Regelink , dr. M.E.D. Chamuleau , dr. E. van der Spek , drs. R.S. Boersma , dr. M. van der Klift , dr. R.F.J. Schop , dr. W.E.F.M. Posthuma , dr. D.E. Issa , drs. J.J. Wegman , dr. S. Wittebol , dr. L.W. Tick , dr. M.R. Schaafsma , dr. B.C. Tanis , dr. M. Bellido , dr. A. Beeker , dr. M. Hoogendoorn , prof. dr. J.H. Veelken , prof. dr. H.C. Schouten , dr. H.R. Koene , K. Oosterveld , dr. S.A.J. Croockewit , dr. M.B.L. Leys , dr. G.J. Veldhuis , dr. C.A.M. Idink , dr. J. Droogendijk , dr. R. Mous , dr. A. Koster , dr. K.G. van der Hem , dr. E.C. Dompeling , prof. dr. M.H.J. van Oers , prof. dr. A.P. Kater

SAMENVATTING

De HOVON 140 (de GA101 Ibrutinib ABT101 (GAIA)-studie) is ontwikkeld om te evalueren of chemo-immuuntherapie (FCR/BR) in de eerstelijnsbehandeling van fitte patiënten met chronische lymfatische leukemie kan worden vervangen door gerichte therapie met venetoclax (en ibrutinib) in combinatie met anti-CD20-antistoffen.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2017;14:390–4)

Lees verder

Richtlijn voor diagnostiek en behandeling van chronische lymfatische leukemie/kleincellig lymfocytair lymfoom

NTVH - 2015, nummer 6, september 2015

dr. S. Kersting , dr. M.D. Levin , dr. M.E.D. Chamuleau , dr. S.M.G.J. Daenen , dr. E.C. Dompeling , dr. J.K. Doorduijn , dr. M. van Gelder , dr. M. Hoogendoorn , dr. J.M. Kerst , dr. M. Nijland , dr. M.R. Nijziel , dr. W.E.F.M. Posthuma , dr. R.A.P. Raymakers , dr. M.R. Schaafsma , drs. M.H. Silbermann , dr. H.M. van der Straaten , prof. dr. J.H. Veelken , dr. J.M.I. Vos , dr. S. Wittebol , prof. dr. M.H.J. van Oers , prof. dr. A.P. Kater

Samenvatting

In dit artikel worden de meest recente ontwikkelingen bij de behandeling van chronische lymfatische leukemie besproken. De huidige HOVON (‘associated’) studies worden besproken. Tevens worden adviezen gegeven voor diagnostiek en aanvullend onderzoek, keuze van behandeling en indicatie voor kinaseremmers.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:205–16)

Lees verder

Reversibele cardiale betrokkenheid bij een patiënt met systemische AL-amyloïdose met CRAB-criteria

NTVH - 2015, nummer 3, april 2015

drs. R. Bijleveld , drs. J.J. Wegman , dr. R. Vossenkaul , dr. M.M. Smits , prof. dr. M.H.J. van Oers

SAMENVATTING

Amyloïd light-chain (AL)-amyloïdose is een systeemziekte die zich kenmerkt door extracellulaire depositie van eiwitfibrillen die kan leiden tot irreversibele orgaandisfunctie. Met de komst van nieuwe therapeutische mogelijkheden is de prognose sterk verbeterd. De beschreven casus toont een patiënte met systemische AL-amyloïdose met cardiale betrokkenheid én een symptomatisch multipel myeloom, bij wie behandeling met de nieuwe medicamenten bortezomib en lenalidomide heeft geleid tot klinische verbetering en herstel van de cardiale functie. Door onderdrukking van de plasmacelkloon met deze middelen is er kans op herstel van orgaanfunctie, waardoor de overleving en kwaliteit van leven toeneemt.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:94–8)

Lees verder

Nieuwe kinaseremmers bij chronische lymfatische leukemie verbreken de interactie met het micromilieu

NTVH - 2014, nummer 2, march 2014

dr. I. de Weerdt , dr. E.F. Eldering , prof. dr. M.H.J. van Oers , prof. dr. A.P. Kater

Samenvatting

In de afgelopen jaren is de kennis over de pathofysiologie van chronische lymfatische leukemie (CLL) sterk toegenomen. Waar in de afgelopen jaren bij verschillende lymfomen mutaties zijn ontdekt die signaleringspaden binnen de cel verstoren, lijken de signaleringspaden bij CLL over het algemeen intact. Activatie van deze paden vindt bij CLL plaats door externe factoren vanuit het micromilieu. Het micromilieu vormt een complex netwerk dat verscheidene stimuli aan CLL-cellen verschaft en is met name gelokaliseerd in secundaire lymfoïde weefsels. Stimulatie van de B-celreceptor, interacties met T-cellen en zogeheten ‘nurse-like’-cellen behoren tot de belangrijkste componenten van het micromilieu. Deze nieuwe inzichten hebben geresulteerd in de ontwikkeling van signaaltransductieremmers waardoor de interactie van CLL met het micromilieu wordt verstoord. De verwachting is dat deze middelen de behandeling van CLL drastisch gaan veranderen. In dit overzichtsartikel zal de rol van signaleringspaden in de pathofysiologie van CLL worden toegelicht.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2014;11:55–62)

Lees verder

Eerstelijnsbehandeling met immuunsuppressieve therapie bij ernstige aplastische anemie: polyklonale antistoffen zijn niet zonder meer inwisselbaar

NTVH - 2012, nummer 7, october 2012

dr. C.J.M. Halkes , prof. dr. A. Brand , drs. E. Backes , prof. dr. M.H.J. van Oers , prof. dr. J.H. Veelken , prof. dr. J.H.F. Falkenburg

Samenvatting

Antithymocytenglobuline (ATG) leidt in combinatie met ciclosporine bij de meerderheid van patiënten met verworven aplastische anemie tot een complete remissie en vormt de standaard eerstelijnsbehandeling voor patiënten die niet in aanmerking komen voor een allogene stamceltransplantatie. Van oudsher wordt ATG gebruikt dat is verkregen door immunisatie van paarden met humane thymocyten. Sinds juni 2007 wordt het paard-ATG, dat in Europa werd gebruikt, niet meer geproduceerd en is in Nederland alleen ATG geregistreerd dat wordt geproduceerd door immunisatie van konijnen. Uit recent onderzoek is gebleken dat er duidelijke verschillen zijn tussen de verschillende soorten ATG voor wat betreft de effectiviteit bij de behandeling van ernstige aplastische anemie. Behandeling met konijn-ATG leidt in vergelijking tot paard-ATG tot een beduidend lager responspercentage. In dit overzichtsartikel wordt ingegaan op de verschillende studies en de situatie in Nederland.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2012;9:263–70)

Lees verder

HOVON 109: de effectiviteit en veiligheid van eerstelijnsbehandeling van chronische lymfatische leukemie met chloorambucil, rituximab en lenalidomide bij oudere patiënten en patiënten met comorbiditeit; een fase I/II-studie

NTVH - 2012, nummer 5, july 2012

prof. dr. A.P. Kater , dr. M.E.D. Chamuleau , dr. W.E.F.M. Posthuma , dr. M.R. Schipperus , M. Spiering , prof. dr. M.H.J. van Oers

Samenvatting

Voor oudere (≥65 jaar) en kwetsbare onbehandelde patiënten met chronische lymfatische leukemie (CLL) en behandelindicatie is sinds jaren monotherapie chloorambucil de behandeling van keuze. Dit in tegenstelling tot jongere en fitte patiënten bij wie de behandelmogelijkheden de laatste jaren sterk zijn veranderd, met als gevolg langdurige progressievrije overleving en mogelijk verbeterde totale overleving. Meerdere studies hebben echter aangetoond dat deze behandelregimes, bestaande uit combinatie-immuunchemotherapie, bij oudere en kwetsbare patiënten tot sterk verhoogde toxiciteit leidt. Ondanks duidelijke voordelen van chloorambucil voor deze patiëntengroep is het als monotherapie niet zeer effectief. Hoewel combinatietherapie met rituximab een verbetering op de totale respons laat zien, zijn complete remissies zeer zeldzaam, wat resulteert in een progressievrije overleving van minder dan 2 jaar. Voor de grote groep oudere en kwetsbare CLL-patiënten is duidelijke verbetering van behandelmogelijkheden nodig. In de HOVON 109-studie wordt een combinatie van chloorambucil, rituximab en lenalidomide getest met als hypothese dat deze combinatie van 3 middelen een verdere verbetering van de respons induceert met als gevolg een verlengde progressievrije overleving.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2012;9:197–201)

Lees verder

Monoklonale B-cellymfocytose: incidentie, risicostratificatie en aanbevelingen voor de dagelijkse praktijk

NTVH - 2012, nummer 4, june 2012

dr. G.D. te Raa , prof. dr. M.H.J. van Oers , prof. dr. A.P. Kater

Samenvatting

Monoklonale B-cellymfocytose (MBL) is gedefinieerd als de aanwezigheid van een kleine monoklonale Bcelkloon in het perifere bloed van asymptomatische individuen. MBL-cellen hebben meestal het immuunfenotype van chronische lymfatische leukemie (‘CLLfenotype MBL’), maar een atypisch fenotype (‘atypisch- CLL-fenotype MBL’) of een fenotype van een maligne lymfoom (‘non-CLL-fenotype MBL’) komen ook voor. De prevalentie in de populatie boven 40 jaar wordt geschat op 3–5% en het risico op ontwikkeling naar CLL met behandelindicatie bedraagt 1–2% per jaar. Er zijn geen officiële richtlijnen ten aanzien van MBL. Op grond van beschikbare gegevens en adviezen worden aanwijzingen voor de praktijk gegeven. Bij verdenking op MBL dient de juiste diagnose eenmalig te worden vastgesteld door een hematoloog en kunnen jaarlijkse controles plaatsvinden bij de huisarts, indien sprake is van CLL-fenotype MBL. Bij tekenen van progressie wordt geadviseerd de patiënt terug te verwijzen naar de internist/hematoloog.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2012;9:138–46)

Lees verder