Klinische studies hebben zich tot dusver voornamelijk op hemofilie A en B gefocust. Er zijn echter ook andere autosomale erfelijke stollingsziektes zoals de ziekte van Von Willebrand, zeldzame bloedingziektes (‘rare bleeding disorders’, RBD) en aangeboren bloedplaatjesdefecten (‘congenital platelet defects’, CPDs). Gezien de aard van de overerving, zouden deze ziekten zowel mannen als vrouwen in gelijke mate moeten treffen. Er zijn echter verschillen in de genderspecifieke verdeling gemeld.

Er is een toenemend bewustzijn van het verschil in klinische presentatie tussen mannen en vrouwen, gezien de unieke fysiologische hemostatische uitdaging voor vrouwen, samen met de menstruatie. In The Lancet is recent een onderzoek gepubliceerd die de geslachtsspecifieke verschillen in fenotype, diagnose en management van autosomaal geërfde stollingsziektes probeert te verklaren. Het onderzoek includeerde patiënten van de Von Willebrand in Nederland studie (n=834), zeldzame bloedingsstoornissen in Nederland (RBIN) studie (n=263) en de trombocytopathie in Nederland studie (n=62). De geïncludeerde patiënten werden gevraagd om een vragenlijst in te vullen over hun conditie. Bovendien werden er bloedsamples afgenomen voor een coagulatietest.

Statistisch verschil in diagnostische vertraging tussen mannen en vrouwen

In totaal zijn er 1092 patiënten meegenomen in dit onderzoek, waarvan 60,9% vrouw was. Van de 1014 patiënten waarvoor een verwijsreden bekend was, was de meest voorkomende reden een positieve familiegeschiedenis (50,3%), gevolgd door persoonlijke verwijzing wegens bloeding (43,5%). Verder werd 6,2% verwezen wegens abnormale coagulatie (verlengde protrombine tijd (PT), geactiveerde partiële tromboplastine tijd (APTT)).

Vrouwen werden vaker doorverwezen wegens bloedingssymptomen in vergelijking met mannen (47,9% versus 36,6%, p= 0,002). Mannen werden wel frequenter doorverwezen wegens een positieve familiegeschiedenis. Van de 399 patiënten met ernstige stollingsziektes (type 2 en type 3 VWD, RBD (zeldzame stollingsziekte) met factoractiviteit onder de 0,10 IU/mL, Ziekte van Glanzmann en Bernard Soulier Syndroom) was er geen significant verschil gevonden in de mate van verwijzing tussen man en vrouw (48,1% versus 51,9%, p=0,215).

Er leek een niet-significant verschil te zijn in de leeftijd van de eerste bloeding: mannen kregen hun eerste bloedingsevent eerder op een leeftijd van 8,9 ± 13.6 jaar, terwijl vrouwen hun eerste bloedingsevent gemiddeld later kregen, op een leeftijd van 10,6 ± 11.3 jaar (p=0,075). Er was wel een statistisch significant verschil voor het moment van vaststellen van de diagnose, waarbij de mannen op jongere leeftijd gediagnosticeerd werden (16,6 ± 19,6 versus 22,5 ± 18,4, p<0,001). Dit vertaalde zich naar een diagnostische vertraging, die statistisch langer was voor vrouwen dan mannen (11,6 ± 16,4 jaar versus 7,7 ± 16,6 jaar, p=0,002).

Van de vrouwen van 12 jaar of ouder kreeg 77,1% een behandeling wegens een geslachtsspecifieke bloeding. De bloedingscore (BS), die een indicatie geeft van de ernst van de bloeding gedurende het leven van een patiënt, was lager bij mannen dan bij vrouwen (9,7 ± 6,9 vs. 11,6 ± 7,2, p<0,001), hoewel de BS-score hoger was voor mannen dan vrouwen na uitsluiting van geslachtsspecifieke bloedingen (9,6 ± 6,8 versus 8,8 ± 6,0, p=0,036).

CONCLUSIE

Deze studie toonde aan dat bij vrouwen met autosomaal erfelijke bloedingsstoornissen vaker door worden verwezen voor bloedingsafwijkingen, ondanks een langere diagnostische vertraging. Bovendien hebben vrouwen vaker een geslachtsspecifieke behandeling nodig voor bloedingen dan mannen.

Referentie

Atiq F et al., Major differences in clinical presentation, diagnosis and management of men and women with autosomal inherited bleeding disorders. E Clinical Medicine. 2021; 32(100726).