Continue therapie en onderhoudsbehandelingen worden steeds vaker ingezet bij multipel myeloom (MM) en bieden langdurige ziektecontrole en verbeterde resultaten in vergelijking met conventionele benaderingen met een vaste duur.

Potentiële voordelen van langetermijnstrategieën zijn onder meer een goede en langdurige beheersing van ziektesymptomen, evenals voortdurende cytoreductie en klonale beheersing. Dit leidt tot nauwelijks meetbare restziekte, waardoor MM getransformeerd wordt tot een chronische, goed te behandelen aandoening.

‘Continue therapie’ verwijst gewoonlijk naar het toedienen van een 2-drug regime (doublet) of 3-drug regime (triplet) totdat progressie van de ziekte plaatsvindt. Onderhoudsbehandelingen daarentegen bestaan doorgaans uit een enkel of 2-drug regime, na een intensievere voorafgaande therapie met autologe stamceltransplantatie (ASCT), 2-drug, 3-drug of zelfs 4-drug regime.

Vergelijkbare vereisten

De vereisten voor middelen en regimes binnen deze contexten zijn echter vergelijkbaar: behandelingen moeten gedurende een langere periode aanvaardbaar zijn, mogen niet worden geassocieerd met cumulatieve of chronische toxiciteit, mogen de kwaliteit van leven van de patiënten niet nadelig beïnvloeden, moeten idealiter een minimale behandelingslast voor patiënten met zich meebrengen, en mogen geen invloed hebben op de werkzaamheid van een eventuele volgende behandeling wanneer sprake is van een terugval.

Verscheidene middelen worden onderzocht als langetermijnopties voor de behandeling van nieuw gediagnosticeerde MM (NDMM), waaronder de immunomodulerende geneesmiddelen lenalidomide en thalidomide, de proteasoomremmers bortezomib, carfilzomib en ixazomib, en de monoklonale antilichamen daratumumab, elotuzumab, en isatuximab.

Een recente review laat zien hoe het paradigma van langdurig behandelen steeds meer toegepast wordt. Dit resulteert mogelijk in verdere verbeteringen van patiëntuitkomsten. Om een optimaal voordeel te bieden moeten er echter nog wel wat klinische vraagstukken beantwoord worden, waaronder de optimale behandelduur en het doseringsschema.

Bron
1. Blood Cancer Journal