Fitte patiënten met mantelcellymfoom tussen de 18 en 65 jaar ontvangen gewoonlijk cytarabine en rituximab, gevolgd door een autologe hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT). In een nieuwe studie, gepubliceerd in The Lancet Haematology, is gekeken of post-autoloog HSCT-onderhoud met lenalidomide de progressievrije overleving ('progression free survival', PFS) van deze populatie verbetert.

Deze open-label, gerandomiseerde, multicenter fase III-studie bestond uit mantelcellymfoompatiënten waarbij sprake was van cycline D1-overexpressie of de translocatie t(11;14) (q13;q32). Na een optionele voorbehandeling met vincristine en steroïden kregen de patiënten 3 kuren R-CHOP (21 dagen cyclus, intraveneus rituximab 375 mg/m2 op dag 1; intraveneus doxorubicine 50 mg/m2, vincristine 1,4 mg/m2 en cyclofosfamide 750 mg/m2 op dag 2; oraal prednison 100 mg/m2 op dag 2–6). Patiënten kregen vervolgens 1 cyclus hooggedoseerde CTX (intraveneus cyclofosfamide 4 g/m2 op dag 1, intraveneus rituximab 375 mg/m2 op dag 4). Vervolgens ontvingen de patiënten 2 cycli R-HD-cytarabine (hoge dosis intraveneus cytarabine 2 g/m2 elke 12 uur op dag 1-3, intraveneus rituximab 375 mg/m2 op dag 4 en 10).

Willekeurige toewijzing onderhoudsbehandeling

Patiënten met volledige remissie of gedeeltelijke remissie gingen over op autologe HSCT en patiënten die reageerden op de behandeling (volledige remissie of gedeeltelijke remissie) en waarbij sprake was van hematologisch herstel, werden willekeurig (1:1) toegewezen aan 24 kuren orale onderhoudsbehandeling met lenalidomide (15 mg bij trombocytenwaarde >100*109 cellen/l of 10 mg/dag voor trombocytenwaarde tussen 60 en 100*109 cellen/l, dag 1-21 elke 28 dagen) gedurende 24 maanden. Het primaire eindpunt was PFS.

Totaal werden 300 patiënten ingeschreven (mediane leeftijd 57 jaar, IQR 51-62; 235 [78%] mannen). Hiervan werden 95 patiënten uitgesloten voorafgaande aan randomisatie, voornamelijk vanwege ziekteprogressie, bijwerkingen en inadequaat herstel. Er werden 104 patiënten willekeurig toegewezen aan de lenalidomide-onderhoudsgroep en 101 patiënten aan de observatiegroep. In de lenalidomide-arm begonnen 11 (11%) patiënten uiteindelijk niet met de behandeling. Bij een mediane follow-up van 38 maanden na randomisatie (IQR: 24-50), was de 3-jaars PFS 80% (95%-BI: 70-87%) in de lenalidomidegroep versus 64% (95%-BI: 53-73%) in de observatiegroep (log-rank test p=0,012; hazard ratio: 0,51; 95%-BI: 0,30-0,87). Verder stopten 41 van de 104 patiënten (39%) met de lenalidomidebehandeling om redenen zoals overlijden of ziekteprogressie.

Bijwerkingenprofiel

Aan de behandeling gerelateerde sterfgevallen werden geregistreerd bij 2 van de 93 patiënten (2%) in de lenalidomidegroep (1 pneumonie, 1 trombotische trombocytopenische purpura) en 1 van 101 (1%) in de observatiegroep (pneumonie). Bovendien hadden 59 van de 93 patiënten (63%) in de lenalidomidegroep graad 3-4 hematologische bijwerkingen versus 12 van de 101 patiënten (12%) in de observatiegroep (p<0,0001). Daarnaast hadden 29  van de 93 patiënten (31%) in de lenalidomidegroep en 8 van de 101 (8%) patiënten in de observatiegroep graad 3-4 niet-hematologische bijwerkingen (p<0,0001), waarvan infectie de meest voorkomende bijwerking was. Ernstige bijwerkingen werden gemeld bij 22 van de 93 patiënten (24%) in de lenalidomidegroep en bij 5 van de 101 patiënten (5%) in de observatiegroep. Longontsteking en andere infecties waren de meest voorkomende ernstige bijwerkingen.

Concluderend kan gesteld worden dat ondanks niet-verwaarloosbare toxiciteit lenalidomide na autologe HSCT de progressievrije overleving bij patiënten met mantelcellymfoom verbeterde, wat de belangrijke rol van onderhoudsbehandelingen bij mantelcellymfoom benadrukt.

Referentie

Ladetto M, Cortelazzo S, Ferrero S et al. Lenalidomide maintenance after autologous haematopoietic stem-cell transplantation in mantle cell lymphoma: results of a Fondazione Italiana Linfomi (FIL) multicentre, randomised, phase 3 trial. Lancet Haematol. 2021 Jan;8(1):e34-e44.