Acute myeloïde leukemie (AML) is een letale hematologische maligniteit, gekenmerkt door een hoog relaps-percentage (50%). Onderzoek naar immuunresponsen bij AML-patiënten heeft geleid tot de identificatie van twee leukemie-geassocieerde antigenen: Wilm’s tumor proteïne 1 (WT1) en preferentially expressed antigen of melanoma (PRAME). Bij deze antigenen is zowel een cellulaire als hormonale immuunrespons gedetecteerd en daarom zijn WT1 en PRAME in een onderzoek geselecteerd als target-antigenen voor een dendritisch cel (DC)-vaccin.

Opzet onderzoek

Het primaire einddoel van het onderzoek was om de veiligheid en praktische haalbaarheid te bepalen van actieve immuuntherapie met antigeen-geladen autologe DC-vaccinaties. Het secundaire einddoel was om de respons te bepalen van DC-vaccinatie geïnduceerde T-cellen tegen WT1 en PRAME, en de klinische uitkomst te bepalen van een periode van twee jaar of tot progressie of relaps van de ziekte.

In het onderzoek werd gefocust op de immuungemonitorde dataverzameling in het eerste jaar van de behandeling. Hierbij werd gekeken naar de WT1- en PRAME-specifieke T-cel responsen in het perifere bloed. Ook werd bepaald hoe vaak WT-1 en/of PRAME-positieve AML-blasten terugkwamen in het beenmerg en perifeer bloed. Verder werd de aanwezigheid van AML-specifieke mutaties in het beenmerg gemeten. Bovendien werd bekeken of het vaccin de expressie van WT1, PRAME en costimulatoire moleculen veroorzaakte, samen met de secretie van interleukine-10 en -12.

Resultaten

De 20 gevaccineerde Cri/AML patiënten tolereerden het DC-vaccin goed. Er waren geen tekenen van auto-immuniteit te zien. Van deze groep bleven twaalf patiënten stabiel in het eerste jaar en acht patiënten hadden een relaps. Ook overleden twee patiënten tijdens het eerste jaar van het onderzoek door progressie van de ziekte.

Bij zeven van de patiënten in stabiele remissie was er geen IFN-γ respons te zien in het perifere bloed, bij drie patiënten was deze respons er wel. Van twee patiënten was de respons niet goed te evalueren door een hogere initiële productie van IFN. Positieve IFN-responsen ontstonden binnen de eerste 30 weken van de behandeling en werden geassocieerd met verlaagde niveaus van WT1 (3/3 patiënten) en/of PRAME (1/3 patiënten) over tijd.

IFN- γ negatieve patiënten in remissie hadden lage, relatief stabiele niveaus van de target antigenen tijdens behandeling. Stabiele remissies werden geassocieerd één (3/12 patiënten) of geen (8/12 patiënten) AML-gerelateerde mutaties. Eén patiënt kon niet worden geëvalueerd en twee bleven het hele eerste jaar MRD-negatief.

Bron
1. https://ash.confex.com/ash/2019/webprogram/Paper129749.html

De onderzoekers presenteren de resultaten van deze studie op 9 december 2019 op het jaarlijkse congres van de ASH.