Hemofilie is een zeldzame, erfelijke ziekte die voornamelijk bij mannen voorkomt. Hemofilie komt voor in twee subtypes: hemofilie A en hemofilie B. Bij hemofilie A is minder of helemaal geen stollingseiwit factor VIII aanwezig, bij hemofilie B is minder of helemaal geen stollingseiwit factor IX aanwezig. Hemofilie wordt als ernstig beschouwd bij plasmafactorniveaus van minder dan 1 IU/dl, niveaus tussen 1-5 IU/dL of meer worden geclassificeerd als milde hemofilie. 1

Ernst van ziekte

Hoe minder van de stollingsfactoren aanwezig is, hoe ernstiger de hemofilie. Wanneer de factor helemaal afwezig is, kunnen ook inwendige bloedingen ontstaan in gewrichten, spieren, organen of zacht weefsel. Zonder behandeling kan dit schade veroorzaken aan het bewegingsapparaat.1

Hemofilie komt voor bij ongeveer 1 op de 10.000 mensen en in 85% van de gevallen gaat het om hemofilie A.2 Tot nu toe leek er weinig onderscheid te zijn in het klinische ziektebeeld van deze twee types. Een nieuw onderzoek van dr. Ullman en collega’s heeft nu aangetoond dat mensen met hemofilie B over het algemeen beter af zijn dan hemofilie A-patiënten.3

Minder artroplastiek, bloedingen en medicamenten

Gebleken is dat hemofilie A-patiënten gemiddeld hoger dan B-patiënten scoren op de ‘haemophilia severity score’. Ook ondergaan hemofilie A-patiënten vaker artroplastiek, een operatie waarbij een gewricht wordt vervangen door een kunstgewricht of het bestaande gewricht wordt gerepareerd.4 Bovendien bleek dat patiënten met ernstige hemofilie B minder vaak bloedingen hadden dan hemofilie A-patiënten, zowel in- als uitwendig.3.

Hemofilie B-patiënten bleken daarnaast preventief minder stollingseiwit factor FIX te behoeven (gemiddeld 0,29 IE) vergeleken met factor VIII (gemiddeld 1,66 IE) bij hemofilie A. Bovendien ontvingen minder B-patiënten deze middelen uit voorzorg op reguliere basis, dan A-patiënten (32 versus 69% respectievelijk). De totale factorconsumptie is daardoor stukken lager bij hemofilie B-patiënten.3

Genetisch verschil

Deze verschillen ontstaan mogelijk doordat hemofilie B meestal ontstaat door een minder ernstige mutatie. Bij ernstige hemofilie A zijn 80% van de mutaties die de ziekte veroorzaken ‘null-mutaties’. Deze mutaties (inversies, nonsense mutaties of grote deleties) zorgen ervoor dat de stollingsfactor helemaal afwezig is. Bij ernstige hemofilie B zijn de klinische mutaties in ongeveer 60% van de gevallen ‘non-null-mutaties’, zoals missense mutaties, enkele basepaar deleties of inserties. Deze non-null-mutaties resulteren in de mogelijkheid tot het synthetiseren van kleine hoeveelheden van het stollingseiwit.  Dit zorgt mogelijk voor een minder ernstig ziektebeeld.5,6

Al deze bevindingen lijken er op te wijzen dat hemofilie B zich uit op een andere manier dan hemofilie A, wat gemiddeld gezien positiever uitpakt voor de hemofilie B-patiënt.

Bronnen
1. Nederlandse Vereniging van Hemofilie-patiënten
2. Nederlands Huisartsen Genootschap
3. Ullman MM. et al., Is Hemophilia B Clinically Less Severe Than Hemophilia a? Evidence from the Hugs Va and Vb Studies. Blood 2019; 134 (1): 58
4. Johns Hopkins Medicine
5. Margaglione M, Castaman G, Morfini M, et al. The Italian AICE-Genetics hemophilia A database: results and correlation with clinical phenotype. Haematologica. 2008;93:722–8. 
6. Belvini D, Salviato R, Radossi P, et al. Molecular genotyping of the Italian cohort of patients with hemophilia B. Haematologica. 2005;90:635–42.