Chronische myeloïde leukemie (CML) wordt sinds 2001 met doelgerichte tyrosinekinase-remmers (TK-remmers) behandeld, en dat heeft geleid tot een betere overleving onder oudere patiënten. Toch blijft er nog steeds oversterfte onder deze groep CML-patiënten. Dat meldt het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). Dat heeft onlangs onderzocht waarom oudere CML-patiënten relatief vaker overlijden aan de ziekte, ondanks de TK-remmers.

Met de introductie van imatinib, de eerste TK-remmer in 2001, is de overleving van patiënten met CML sterk verbeterd. Maar de resultaten uit klinische studies zijn doorgaans gebaseerd op gezonde, jongere proefpersonen. Ouderen zijn doorgaans ondervertegenwoordigd in klinische studies. En vaak hebben ouderen te maken met comorbiditeiten.

IKNL heeft daarom data van de afgelopen 28 jaar geanalyseerd, afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De onderzoekers verzamelden gegevens van alle patiënten van 70 jaar en ouder die tussen 1989 en 2017 zijn gediagnosticeerd met CML, met een follow-up tot 1 januari 2019. De patiënten werden ingedeeld in vier leeftijdsgroepen (70-74, 74–79, 80–84 en 85 jaar) en drie kalenderperioden (1989–2000, 2001–2008 en 2009–2017). De eerste periode vertegenwoordigt het pre-tyrosinekinaseremmer-tijdperk; de tweede en derde periode het tijdperk waarin imatinib, en daarna nieuwe generaties TK-remmers verschenen.

De relatieve overleving – gecorrigeerd voor de verwachte overleving in de algehele Nederlandse bevolking naar leeftijd, geslacht en periode – werd berekend om de ziektevrije overleving te schatten. De relatieve overleving werd berekend per cohort tot vijf jaar na diagnose volgens de kalenderperiode, de leeftijd bij diagnose en gemeten vanaf diagnose tot aan de geregistreerde status in het bevolkingsregister of het einde van de follow-up.

Resultaten

In totaal werden de gegevens van 1.525 patiënten van 70 jaar en ouder bestudeerd. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 77, en ruim de helft (56%) was man. Van al die patiënten had 11% eerder kanker gehad. De leeftijdsverdeling was 31% 70–74 jaar, 32% 75–79 jaar, 22% 80–84 jaar en 15% ouder dan 85 jaar. De inzet van anti-CML-therapie nam toe in de tijd onder alle leeftijdsgroepen. Gerelateerd aan voornoemde leeftijdsgroepen kregen 93%, 93%, 80%, respectievelijk 74% van de patiënten tussen 2009-2017 een behandeling met TK-remmers.

De relatieve 1-, 3- en 5-jaarsoverleving nam significant toe in de tijd voor alle leeftijdsgroepen. Maar tussen 2000 en 2017 (dus de periode na introductie van TK-remmers) blijft er een oversterfte zichtbaar ten opzichte van de algemene bevolking. Daarnaast blijkt verbetering in de relatieve overleving onder patiënten van 75 jaar en ouder achter vergeleken met de leeftijdsgroep 70-74 jaar in de periodes tussen 1989-2000 en 2001-2008. De stijging van de relatieve overleving bij 75-plussers was het duidelijkst zichtbaar tussen 2001-2008 en 2009-2017, met name onder patiënten van 85 jaar en ouder.

Analyse van de relatieve oversterfte binnen vijf jaar na diagnose, simultaan gecorrigeerd voor geslacht, leeftijd, kalenderperiode en eerdere maligne ziekten, toonde aan dat patiënten gediagnosticeerd in de periode 2009-2017 een 63% lagere oversterfte hadden vergeleken met patiënten die tussen 2001-2008 zijn gediagnosticeerd. Echter, na correctie voor primaire therapie verloor de kalenderperiode aan statische significantie. Dit suggereert dat veranderingen in de primaire therapie hebben bijgedragen aan verbetering van de overleving tussen 2009-2017. Onafhankelijke voorspellers voor een slechte prognose waren een oudere leeftijd en mannelijk geslacht.

Hoofdonderzoeker dr. Geneviève Ector en collega’s concluderen dat de relatieve overleving van patiënten met chronische myeloïde leukemie in alle leeftijdsgroepen boven 70 jaar aanzienlijk is verbeterd na introductie van TK-remmers in 2001. De verbetering onder 75-plussers was echter minder uitgesproken ten opzichte van patiënten in de leeftijdsgroep 70-74 jaar. In de periode daarna, tussen 2001-2008 en 2009-2017, was de stijging van de relatieve overleving duidelijker zichtbaar bij de oudere leeftijdsgroepen, in het bijzonder onder patiënten van 85 jaar en ouder.

Deze observatie duidt er op dat CML-patiënten van 75 jaar en ouder mogelijk niet onmiddellijk hebben geprofiteerd van de vooruitgang in de zorg. Met betrekking tot de oversterfte van oudere patiënten met CML, vooral 80-plussers, noemen de onderzoekers een aantal mogelijke oorzaken, zoals grotere kans op toxiciteit bij behandeling met TK-remmers door comorbiditeiten, die vervolgens kunnen leiden tot daling in het naleven van de behandeling of voortijdig stoppen. Dit kan een reden zijn geweest dat artsen in de beginjaren na de introductie van tyrosinekinaseremmers terughoudender waren met het voorschrijven van deze middelen. Toekomstig onderzoek kan uitwijzen of nog andere factoren een rol hebben gespeeld, zoals kwetsbaarheid, wensen van de patiënt of andere kenmerken van patiënten en/of artsen.

De uitkomsten van deze studie kunnen opgevat worden als een benchmark voor verdere verbetering van de zorg voor patiënten met chronische myeloïde leukemie en daling van de oversterfte in de nabije toekomst, in het bijzonder onder de oudste leeftijdsgroepen.

Referentie

Geneviève I C G Ector, Otto Visser, Peter E Westerweel, Jeroen J W M Janssen, Nicole M A Blijlevens, Avinash G Dinmohamed: Primary Therapy and Relative Survival Among Elderly Patients With Chronic Myeloid Leukemia: A Population-Based Study in the Netherlands, 1989-2017. Leukemia. 2020 Jun 8.