Een internationaal team van wetenschappers analyseerde de gemiddelde hoeveelheid calorieën die een mens verbrandt tijdens zijn of haar dagelijkse bezigheden in verschillende levensfases.

In eerdere grootschalige studies is al vaker gemeten hoeveel energie het lichaam gebruikt voor de vitale basisfuncties zoals ademhalen, verteren van voeding en bloedcirculatie. Dit is grofweg de energie die je nodig hebt om in leven te blijven. Deze basisfuncties maken echter slechts 50 tot 70 procent uit van de calorieën die we elke dag verbranden. De energie die we besteden aan bijvoorbeeld de afwas doen, de hond uitlaten, een rondje hardlopen, gewoon een beetje friemelen of zelfs alleen maar denken, zit hier nog niet bij in.

Zwaar water

Om het totale dagelijkse energieverbruik te berekenen, gebruikten de onderzoekers de ‘dubbel gelabeld water’-methode. Dit is een urinetest waarbij een persoon water drinkt waarin de waterstof- en zuurstofatomen in de watermoleculen zijn vervangen door natuurlijk voorkomende ‘zware’ vormen. Het gewone waterstofatoom met één proton is dan vervangen door waterstof met twee protonen en het gewone zuurstofatoom met 16 protonen door zuurstof met 18 protonen. Vervolgens werd gemeten hoe snel deze ‘zware’ atomen het lichaam weer verlaten via de urine.

Wetenschappers gebruiken deze techniek – die wordt beschouwd als de gouden standaard voor het meten van de dagelijkse energieverbruik in het normale dagelijkse leven buiten het laboratorium – al sinds de jaren ‘80 om het energieverbruik bij mensen te meten. Klaas Westerterp, emeritus hoogleraar Humane Energetica aan de Universiteit Maastricht, gebruikte deze techniek destijds als een van de eersten om het totale energieverbruik van mensen in volle inspanning te meten. Hij deed dat toen bij renners van de Tour de France in 1985. Westerterp was ook betrokken bij deze studie.

Deze meettechniek met zwaar water is vrij prijzig, dus zijn studies beperkt in hun omvang. Voor de huidige studie naar metabolisme hebben meerdere laboratoria hun gegevens samengevoegd in één database, om zo een compleet beeld te vormen van hoe het energieverbruik verandert gedurende een mensenleven. Zodoende bestond de onderzoekspopulatie uit meer dan 6.600 deelnemers afkomstig uit 29 landen over de hele wereld, in leeftijd variërend van acht dagen tot 95 jaar oud.

Baby’s zijn grootverbruikers

De resultaten zullen wellicht verrassen. “Sommige mensen denken dat hun tienerjaren en twintigerjaren de leeftijd zijn waarop hun calorieverbrandingspotentieel zijn piek bereikt”, aldus dr. Katzmarzyk. “Maar deze studie toont aan dat, gecorrigeerd voor lichaamsgewicht, zuigelingen de hoogste stofwisselingssnelheid van allemaal hadden.” De energiebehoefte van een mens stijgt tijdens de eerste 12 maanden van het leven. Sterker nog, op hun eerste verjaardag verbranden baby’s 50 procent sneller calorieën voor hun lichaamsgrootte dan volwassenen, en dat is niet alleen omdat baby’s bezig zijn hun geboortegewicht in hun eerste jaar te verdrievoudigen. Dr. Martin vult aan: “Baby’s groeien snel, wat een groot deel van het effect verklaart, maar nadat je daarvoor hebt gecorrigeerd, is hun energieverbruik meestal nog steeds hoger dan wat je zou verwachten voor hun lichaamsgrootte.”

Het explosieve metabolisme van een zuigeling zou kunnen helpen verklaren waarom kinderen die tijdens deze ontwikkelingsfase niet genoeg te eten krijgen, minder kans hebben om te overleven en op te groeien tot gezonde volwassenen.

Energieverbruik vlakt af

Na de eerste stijging in de kindertijd, vertraagt het metabolisme van een persoon met ongeveer drie procent per jaar tot ons twintigste. Dan is het energieverbruik afgevlakt naar een nieuw normaal niveau, dat stabiel blijft van je twintigste tot je vijftigste. Groeispurten in de puberteit leiden dus niet tot een toename van de dagelijkse caloriebehoefte nadat onderzoekers rekening hielden met de lichaamsgrootte. Ook de caloriebehoefte tijdens de zwangerschap nam niet meer toe dan verwacht.

De data suggereert dat onze stofwisseling pas na ons zestigste echt begint af te nemen. De vertraging is geleidelijk: slechts 0,7 procent per jaar. Maar iemand van in de 90 heeft 26% minder calorieën per dag nodig dan iemand van middelbare leeftijd.

Dat kan gedeeltelijk worden verklaard door een vermindering in fysieke activiteit naarmate we ouder worden en derhalve het verlies aan spiermassa, zeggen de onderzoekers, want spieren verbranden meer calorieën dan vet. Die gegevens verklaren echter niet het hele plaatje. Dr. Ravussin: “We hebben rekening gehouden met de afnemende spiermassa. Na 60 worden de cellen van een persoon trager.” Dat is belangrijk om in het achterhoofd te houden, want een afname in het calorieverbruik in oudere mensen vergroot het risico op gewichtstoename.

 

Referentie

Pontzer H, Yamada Y, Sagayama H, et al. Daily energy expenditure through the human life course. Science. 2021 Aug 13;373(6556):808-812.