Elk jaar ontvangen zo’n 250.000 Nederlanders een bloedtransfusie, bijvoorbeeld wanneer ze veel bloed hebben verloren bij een operatie of verkeersongeluk. Wanneer je bloed van een ander persoon ontvangt, is het zaak dat je bloed ‘matcht’. Het is belangrijk dat jouw lichaam geen afweerreactie vertoont op het bloed van de ander. Bij zo’n afweerreactie kan het bloed van de ontvanger gaan klonteren, een allergische reactie ontstaan of zelfs levensbedreigende complicaties. Een belangrijke rol in deze ‘match’ spelen de verschillende bloedtypen.

Bloedgroepen onderscheiden

De meest gebruikte methode om bloedtypen te groeperen is het ABO-systeem. Hierbij wordt gekeken naar de rode bloedcellen, die zuurstof door het lichaam vervoeren. Op het oppervlak van zo’n rode bloedcel zijn ook antigenen aanwezig. Antigenen zijn eiwitten die antilichamen aan kunnen maken, stofjes die belangrijk zijn bij de afweer tegen lichaamsvreemde indringers.

Op de rode bloedcel zijn zowel ABO-antigenen als Rh-antigenen aanwezig. Hiervan bestaan verschillende subtypes. Door te kijken welke soort antigenen aanwezig zijn in iemands bloed, wordt bepaald wat iemands bloedtype is. Naast de antigenen op de rode bloedcellen wordt ook het type antilichamen in het bloedplasma bepaald. Bloedplasma is een gelige vloeistof die voor 91,5% uit water bestaat en waar de bloedcellen in vervoerd worden.

ABO-bloedtype

Er zijn 4 verschillende ABO-groepen:

A. De antigenen op de rode bloedcellen zijn van type A, en het plasma heeft zogenaamde anti-B-antilichamen. Dit houdt in dat het plasma cellen met antigenen van type B zal aanvallen.

B. De antigenen op de rode bloedcellen zijn van type B, en het plasma heeft anti-A-antilichamen. Dit houdt in dat het plasma bloedcellen zal aanvallen met type A-antilichamen.

AB. De rode bloedcellen hebben zowel A- als B-antigenen, en het plasma heeft geen antilichamen tegen type A of B. Het plasma zal dus nooit rode bloedcellen van een bloeddonor aanvallen.

O. De rode bloedcellen hebben geen A- of B-antigenen, het plasma bevat zowel antilichamen tegen A als tegen B. Het plasma zal dus rode bloedcellen aanvallen met antigenen van type A en type B.

Iemand met bloedtype AB wordt gezien als een ‘universele ontvanger’ van bloed. Aangezien het plasma geen antilichamen aanmaakt tegen bloedcellen met type A- of B-antigenen, kan hij van alle bloedtypes bloed ontvangen. Iemand met bloedtype O is juist de ‘universele donor’: aangezien zijn rode bloedcellen geen type A- of B-antigenen bevatten, zal het bloedplasma van de ontvanger nooit de bloedcellen van een O-donor aanvallen. Bijna iedereen kan bloed van iemand met type O-bloed ontvangen.

De meest voorkomende bloedtypes in Nederland zijn O (47%) en A (42%). Bloedgroep B komt voor bij 8% van de mensen en AB bij slechts 3%.

Rhesusfactor

Naast de antigenen op de rode bloedcel en de antilichamen in het plasma speelt ook de rhesusfactor mee in het bepalen van de bloedgroep. De rhesusfactor (Rh-factor) is ook een soort antigeen. Voor de rhesusfactor ben je positief –de antigenen zijn wel aanwezig- of negatief –de antigenen zijn niet aanwezig. Het overgrote deel (84%) van de Nederlanders is rhesuspositief.

Deze aanduiding wordt toegevoegd aan het bloedtype volgens het ABO-systeem. Heb je bijvoorbeeld bloedgroep A en geen rhesusantigenen? Dan is je bloedgroep A-. Is je bloedgroep AB en heb je wel rhesusantigenen? Dan is je volledige bloedgroep AB+.

Bloed doneren

Een bloedtransfusie gaat het beste wanneer het bloedtype van de ontvanger en donor hetzelfde zijn. Het is daarom belangrijk dat een ziekenhuis toegang heeft tot alle verschillende bloedtypes. Om hier mee te helpen, kun je bloed doneren bij Sanquin. Het bloed doneren zelf kost zo’n 10 minuten, en in totaal ben je ongeveer een uur bezig.

Voor meer informatie over bloed doneren: sanquin.nl/bloed-doneren

Bronnen

  1. medicalnewstoday.com/
  2. sanquin.org/patientenfolder_bloedtransfusie.pdf
  3. sanquin.nl/over-bloed/plasma
  4. sanquin.nl/over-bloed/bloedgroepen