Tweedelijns axicabtagene ciloleucel toont betere uitkomsten bij recidief/refractair grootcellig B-cellymfoom

augustus 2022 EHA 2022 Van de redactie

In een geplande subgroepanalyse van de ZUMA-7-studieresultaten van tweedelijns axicabtagene ciloleucel (axi-cel) versus standaardzorg bij oudere patiënten met recidief/refractair grootcellig B-cellymfoom, werd superioriteit van axi-cel aangetoond met een significant betere eventvrije overleving en een betekenisvolle verbetering van kwaliteit van leven.

De mediane leeftijd bij diagnose van grootcellig B-cellymfoom (LBCL) is 66 jaar. Leeftijd kan een bepalende factor zijn bij de keuze voor toepassing van een curatieve behandeling. Oudere patiënten met recidief/refractair (R/R) LBCL lopen een verhoogd risico op slechtere behandelresultaten, verhoogde toxiciteit en het onvermogen om een tweedelijns standaardbehandeling (‘standard of care’, SOC) te verdragen. Tevens wordt tweedelijnsbehandeling vaak geassocieerd met een slechte gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven (HRQoL). ZUMA-7 is de eerste gerandomiseerde fase III-studie van axicabtagene ciloleucel (axi-cel) versus SOC als tweedelijnsbehandeling bij patiënten met R/R LBCL. Axi-cel is een autologe anti-CD19 CAR T-celtherapie, die is goedgekeurd voor de behandeling van volwassen patiënten met R/R LBCL na ten minste twee lijnen van systemische behandeling. Tijdens EHA 2022 werden de resultaten van een subgroepanalyse van ZUMA-7 van patiënten ≥ 65 jaar gepresenteerd met betrekking tot de werkzaamheid, veiligheid en patiënt-gerapporteerde uitkomsten (PRO).

Studieopzet

R/R LBCL-patiënten met een ECOG performancestatus van 0-1 en ≤ 12 maanden na eerstelijns chemo-immuuntherapie (CIT) werden gerandomiseerd (1:1) naar axi-cel of SOC (2-3 cycli platinum-gebaseerde CIT; patiënten met partiële of complete respons [CR] gingen verder met een hooggedoseerde therapie met autologe stamceltransplantatie [HDT-ASCT]). PRO-instrumenten, waaronder de EORTC QLQ-C30 (algemene gezondheid en fysiek functioneren) en de EQ-5D-5L visueel analoge schaal (VAS), werden afgenomen op baseline (voorafgaand aan de behandeling), dag 50, dag 100, dag 150, maand 9 en vervolgens elke 3 maanden. Dit liep door tot maand 24 of het moment van eventvrije overleving (‘event-free survival’, EFS), afhankelijk van wat zich het eerst voordeed. De analyseset voor kwaliteit van leven werd gevormd door alle patiënten met een PRO op baseline en ≥ 1 voltooide meting op dag 50, 100 of 150. Een toename met 10 punten voor elke EORTC QLQ-C30-score en 7 punten voor EQ-5D-5L VAS-score werd beschouwd als klinisch zinvolle verandering.

Resultaten

In totaal werden 109 patiënten van ≥ 65 jaar geïncludeerd in ZUMA-7, waarvan 51 in de axi-celgroep en 58 in de SOC-groep. Terwijl 49/51 patiënten (96%) axi-cel ontvingen, kregen maar 20/58 patiënten (34%) HDT-ASCT. Ten opzichte van SOC-patiënten waren er op baseline meer axi-cel patiënten met hoogrisico-kenmerken. Na een mediane follow-up van 24,3 maanden was de mediane EFS volgens geblindeerde centrale beoordeling bij patiënten van ≥ 65 jaar 21,5 maanden met axi-cel tegenover slechts 2,5 maanden met SOC. De EFS-percentages na 24 maanden waren respectievelijk 47,8% en 15,1% (HR [95%-BI]: 0,276 [0,164-0,465]; p<0,0001). Het objectieve responspercentage was hoger met axi-cel dan met SOC (88% versus 52%, p<0,0001) en het CR-percentage van de axi-celgroep was meer dan tweemaal hoger dan van de SOC-arm (75% versus 33%). De algehele overleving was langer met axi-cel dan met SOC (HR [95%-BI]: 0,517 [0,277-0,964]; p=0,0175). De Kaplan-Meier schatting van OS na twee jaar was 64% in de axi-celgroep en 51% in de SOC-groep. In totaal ontving 57% van de SOC-patiënten vervolgens cellulaire immunotherapie (buiten het protocol).

Het veiligheidsprofiel van axi-cel was beheersbaar en consistent met eerdere studies bij refractaire LBCL. Bijwerkingen van graad ≥ 3 werden waargenomen bij 94% van de patiënten in de axi-celgroep en 82% van de patiënten in de SOC-groep. Daarbij werden pyrexie, neutropenie en misselijkheid het vaakst gemeld. De meest voorkomende reden van overlijden in beide groepen was progressieve ziekte. Er waren bij patiënten van ≥ 65 jaar iets hogere percentages cytokine release syndroom en neurologische voorvallen ten opzichte van de volledige studiepopulatie.

In de QoL-analyseset (46 patiënten met axi-cel en 42 patiënten met SOC) was de gemiddelde verandering van scores ten opzichte van baseline op dag 100 klinisch significant in het voordeel van axi-cel ten opzichte van SOC. Dit gold zowel voor EORTC QLQ-C30 algemene gezondheid (p<0,0001), lichamelijk functioneren (p=0,0019) als EQ-5D-5L VAS (p< 0,0001). Ook op dag 150 waren de scores voor deze drie domeinen in het voordeel van axi-cel ten opzichte van SOC (p<0,05).

Conclusie

Bij patiënten ≥ 65 jaar vertoonde axi-cel superioriteit ten opzichte van tweedelijns SOC ondanks een hoger aantal patiënten met hoogrisico-kenmerken in de axi-celgroep. Bovendien had axi-cel een beheersbaar veiligheidsprofiel, dat consistent is met eerdere studies en real-world gegevens bij patiënten van alle leeftijden. In vergelijking met SOC toonde axi-cel ook een betekenisvolle verbetering van QoL. Dit wijst op een sneller herstel naar het QoL-niveau van voor de behandeling. Deze gegevens tonen aan dat oudere patiënten, die op grond van hun leeftijd vaak niet voor transplantatie in aanmerking komen, toch veilig een tweedelijnsbehandeling met curatieve intentie kunnen ontvangen.

Referentie

Sureda A, et al. Clinical and patient-reported outcomes in a phase 3 study of axicabtagene ciloleucel (axi-cel) vs standard-of-care in elderly patients with relapsed/refractory large B-cell lymphoma (ZUMA-7). Gepresenteerd tijdens EHA 2022; abstract S211.